Tussen plukjes Zuidoost kantoorvolk zet ik een ongemakkelijk drafje in. In een dikke winterjas, met een sjaal om en op leren schoenen rennen terwijl ogen in je priemen kan ik iedereen afraden. Via het olifantenpaadje het bruggetje over tussen de kantoorkolossen door. Hier waar niets echt mooi of leuk is maar alles praktisch.

Wie hou ik voor de gek? Als ik geen mensen meer voor me zie stop ik met rennen.

Ik kom een paar minuten te laat. De inloop voorbij, maar de groep is nog niet gefocust. Te laat om koffie te pakken, op tijd om gelijk wat enthousiaste antwoorden er uit te gooien. Alsof ik daar mijn te laat komen mee kan verbloemen.

Na een paar minuten zoekt de docent een voorbeeld.

“Wie vind op tijd komen belangrijk?”

Alle handen gaan omhoog.

Ze haalt haar schouders op en in een zucht en een halve zin maakt ze duidelijk dat zij op tijd komen niet zo belangrijk vindt. Dat je hier voor jezelf bent. Het is handig als je op tijd komt, maar uiteindelijk is het je eigen verantwoordelijk en wat maken een paar minuten nou uit.

Ze kijkt me aan. “Vind je op tijd komen écht belangrijk?”

Ik laat m’n hand zakken. “Nee”, antwoordt ze voor mij.

“Wij vinden op tijd komen niet écht belangrijk. En dat is okay, of je kunt er wat aan doen, als je het belangrijk vindt.”